Wanneer uw werknemer met pensioen gaat, kan uw werknemer keuzes maken voor het partnerpensioen. Voor het wezenpensioen kan uw werknemer geen keuzes maken.
Na pensionering is er standaard géén partnerpensioen geregeld voor de partner van uw werknemer. Uw werknemer kan een deel van de pensioenpot gebruiken om ervoor te zorgen dat de partner wél een partnerpensioen krijgt als uw werknemer overlijdt na pensionering.
Meer informatie over het partner- en wezenpensioen vindt u op de pagina Uw werknemer overlijdt.
Als uw werknemer en de partner een partnerpensioen willen regelen, geeft uw werknemer dit aan bij het aanvragen van het pensioen. Dit kan door in te loggen op de website en de keuze door te geven voor een partnerpensioen van tussen de 0 en 70% van het ouderdomspensioen.
Uw werknemer kan geen keuzes maken over de hoogte van het wezenpensioen. Overlijdt uw werknemer nadat het pensioen is ingegaan? Dan krijgt elk kind van uw werknemer standaard 14% van het pensioen van uw werknemer. Als er geen andere ouder/verzorger meer is, krijgt elk kind 28%. Het wezenpensioen stopt als het kind 25 jaar is.
Meer informatie over het partner- en wezenpensioen vindt u op de pagina Uw werknemer overlijdt.
Sommige pensioenkeuzes hebben gevolgen voor het partner- en wezenpensioen als uw werknemer overlijdt na pensionering. Eerder of later met pensioen gaan bijvoorbeeld. Dit komt omdat het partner- en wezenpensioen percentages zijn van het pensioen voor uw werknemer. Als het pensioen voor uw werknemer hoger of lager wordt, geldt dat ook voor het partner- en wezenpensioen.
Dit kan via de persoonlijke omgeving. Raad uw werknemer aan om de aanvraag uiterlijk 1 maand voor de gewenste pensioendatum te doen. U kunt uw werknemer helpen. Op de pagina Pensioen aanvragen leest u hoe u dat doet.
Of uw werknemer iets verandert aan het partnerpensioen, is een keuze die uw werknemer maakt op de pensioendatum. U hoeft als werkgever dus niets aan ons door te geven.
Bekijk de informatie voor uw werknemers over de keuzes voor het partnerpensioen.